augustus - ontruiming Bisschoppelijk College

Begin augustus zocht 'Feldgericht Luftgau Holland' nieuwe huisvesting in de buurt van de Duitse grens. Op dat moment was het nog gevestigd in 's Hertogenbosch. Het oog viel op het Bisschoppelijk College in Roermond. Op zondag 20 augustus kreeg Directeur Goessens bevel van de Duitse Wehrmacht om het College te ontruimen en wel binnen drie dagen. Tijd was dus kostbaar. De ontruiming van een groot gedeelte van het College in maar drie dagen tijd.

De uitvoering van deze ontruiming staat uitvoerig vermeld in de Collegeklok:
De officieren hadden blijkbaar veel plaats nodig. Aanvankelijk wilden ze het College helemaal in beslag nemen. Met veel moeite slaagde de Directeur er in, de zalen voor Scheikunde, Natuurkunde en Natuurlijke historie te behouden, zodat al de kostbare instrumenten, installaties en verzamelingen op die zalen konden blijven staan. De deuren werden gesloten en verzegeld. De heren van het Feldgericht hadden ook geen belangstelling voor de onpraktische ruimte der kapel. De deur van de kapel werd dus eveneens voorzien van het mooie zegel ‘Schule! Zutritt verboten!’. De commandant van het Feldgericht was toch niet zo heel onwelwillend en daardoor konden de priesterleraren, voorzover ze met hun meubels niet een toevlucht in de stad wilden zoeken, in het huis van de Directeur en in de huizen Haffmans en Schreurs blijven wonen. Hier en daar zou dan een schutting worden aangebracht: een bij de kamer van de prefect om de gang beneden af te sluiten; een andere op de gang naar de Natuurkundezaal; een derde in het gangetje van de klassen naar de Directeurskamers. Ook het tuintje, waarin de serre staat, bleef onbezet gebied.

Maandag 21 augustus begon de grote verhuizing. Het gerucht, dat het College ontruimd moest worden, had zich met de snelheid van de bliksem verspreid en Mhr. Rosier had onder de externen grote lichtingen hulptroepen opgetrommeld. In drommen kwamen deze op die warme en prachtige maandagmorgen opdagen. Vele andere jongens waren uit eigen beweging gekomen, tot zelfs uit Weert toe. Heren van het College hadden intussen in de stad bergruimte besproken, en toen ze terugkwamen, stond de Christoffelstraat al vol wagens en handkarren.


(F004)

Binnen in het College krioelde het van de vele gevraagde en ongevraagde, maar steeds zeer welkome hulpkrachten: van Zusters, heren en timmerlui; van grote jongens en kleine jongens; van dravende, schreeuwende, hijgende, transpirerende, gesticulerende en wegslepende mensen.
Er was dan ook ontzaglijk veel werk te verzetten, meer dan iemand in een twee drie kan overzien. Klassen, studiezalen, slaapzalen, aula, eetzaal, speelzaal, kofferzaal, keukens; de kamers der heren, het zusterhuis, de kelders, zolders, gangen en berghokken – dat allemaal moest ontruimd en bezemschoon gemaakt worden en wel vóór woensdagavond. Een College is geen burgerhuis; de kamer van een heer te ontruimen met al die boeken en paperassen en vaak zware meubels vergt heel wat meer tijd en arbeidskracht dan de huiskamer van een gewone familie.
De banken der 28 klassen, die elk aan ongeveer 30 jongens plaats bieden, vormden een probleem op zich zelf. Zo’n stel lompe, zware banken kan men niet vergelijken met een keukenstoel, waarvan men er enkele onder de arm pakt en er mee wegwandelt. Voor twee stevige mannen zijn ze nog een hele last. Zes klassen zouden worden ondergebracht in de Rijks H.B.S. De banken moesten dus in het College het lokaal worden uitgedragen en dan door de gangen heen, de trappen af en op de wagen getild. Vervolgens werden ze naar de Rijks H.B.S. vervoerd. Daar moesten ze weer van de wagen worden afgehaald, de steile enge trap op en de gang doorgedragen en dan met voorzichtigheid en beleid in de klassen geplaatst. Dat alleen al, de verzorging dezer zes klassen, was een omslachtig en vermoeiend werk voor velen. Zes klassen zijn er echter geen acht en twintig. Het bleek spoedig ondoenlijk in deze korte tijd de honderden andere zit- en schrijfbanken stuk voor stuk het College uit te dragen en in de stad onder te brengen.


(F004)

Wel sloeg men de grote banken der beide studiezalen nog in de houtloodsen van de firma Van Esser op. Men besloot ook een gedeelte der klassebanken in de fabriek van Van den Eertwegh neer te zetten. De rest der klassebanken werd echter eenvoudig uit elkaar geschroefd en in het lokaal voor Natuurkunde en Natuurlijke historie opgestapeld. Ze reikten er tot aan de zoldering. De grote katheders van de lijntekenzaal vonden in het practicum voor Scheikunde een onderkomen. Dit alleen al was een zwaar karwei, een moeilijk en langdurig werk in die warme Augustusdagen.

Een ander probleem bezorgden ons die eindeloze stapels boeken en velerlei andere artikelen, die de internen nog in de rekken op de kofferzaal hadden liggen. De Directeur had aan alle leerlingen verzocht bij het koffer inpakken zoveel mogelijk en liefst alles naar huis te zenden. Wel hadden vele internen dat gedaan, maar niet alle. En nu moest er nog zeer veel weggevoerd en in veiligheid gebracht worden. In de gang bij de Natuurkundezaal stapelden de zwoegers alles afzonderlijk op en voorzagen het zo mogelijk van papiertjes met de naam van de eigenaar. Doordat later op deze gang granaten insloegen en jongens en uitgebroken Russen gingen zoeken naar eigendommen of bruikbare artikelen, is al die moeite van het sorteren tevergeefs geweest.

Het is in ons College geen gewoonte namen te noemen van heren, die zich verdienstelijk maakten. Maar we mogen toch wel in het algemeen degenen danken, die in deze dagen gewerkt hebben als paarden. Van jongens mag men niet verwachten, dat zij zich lang met een vervelende taak bezig houden. Speciaal het werk met de banken viel hun te zwaar en het was inderdaad ook niet zo plezierig. Toen de jongens zowat allemaal het spelletje moe waren, zijn de heren alleen op de wagens gekropen, hebben zo de banken op de plaats van bestemming gebracht en verder gezorgd, dat alles in orde kwam.

Er was ook op het College zo het een en ander weggestopt, want er kon elke dag huiszoeking komen. Nu moest dat allemaal weer voor de dag gehaald worden en weggebracht, en wel zó, dat zo weinig mogelijk mensen zagen, waar het naar toe ging.


(F004)

Drie dagen lang hebben we dus hard gewerkt. Toch ging het de heren van het Feldgericht blijkbaar niet vlug genoeg. Nadat er ’s dinsdags inspectie gehouden werd naar de vorderingen der ontruiming, stuurden ze ons ’s woensdagmorgens de brandweer, luchtbescherming en wie weet wat nog meer aan openbare diensten op het dak. Deze mannen hadden talloze nieuwe emmers, nieuwe dweilen en nieuwe bezems bij zich. Ze moesten kennelijk het College ‘doen’. Er was ook de een of andere vrouwelijke organisatie bij, waarvan de leden aanstonds met felle bedrijvigheid aan het schrobben gingen. We moeten eerlijk zijn en zeggen: vooral de mannen kwamen nu niet bepaald allemaal vrijwillig. Hun ijver beperkte zich dan meestal ook in hoofdzaak tot het bemachtigen van een bezem of emmer, om daarmee gewapend langs de muur te gaan staan. Men kon het beleven, dat zo’n grijnzend standbeeld plotseling in beweging kwam en een fenomenale ijver ontketende. Dan was er onraad in de buurt. Toen de controle op de duur wat slapper werd, hebben ze ons nog met het een en ander geholpen.

’s Woensdagsavonds had het College zijn plicht gedaan. Het was bezemschoon.
(B002)